Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in onteigeningszaak

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in onteigeningszaak

In een door ons voor een gemeente als verweerder in cassatie behandelde onteigeningszaak heeft de Hoge Raad op 23 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2161) het cassatieberoep van de onteigenden niet-ontvankelijk verklaard omdat niet voldaan was aan het bepaalde in artikel 53 lid 1 Onteigeningswet (Ow). De Hoge Raad beslist dat binnen de in artikel 53 lid 1 Ow genoemde termijn  van zes weken niet alleen de procesinleiding moet zijn ingediend, maar ook de (binnen de termijn van twee weken van artikel 52 Ow af te leggen) cassatieverklaring en het oproepingsbericht (met daarbij de procesinleiding) moeten zijn bezorgd bij of betekend aan de verweerders.

Voorgeschiedenis

Het arrest heeft een lange voorgeschiedenis, waaronder arresten van de Hoge Raad van 30 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:183) en 14 augustus 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2195); NJ 2018, 79 met noot Asser).

Schadeloosstelling

Bij vonnis van 17 januari 2018 stelde de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond)  de schadeloosstelling voor de onteigenden vast.

Cassatie

De onteigenden stelden cassatieberoep in tegen het vonnis. Daartoe legden zij op 30 januari 2018 een cassatieverklaring af ter griffie van de rechtbank. Daarmee werd voldaan aan artikel 52 Ow, dat bepaalt dat tegen een dergelijk onteigeningsvonnis geen hoger beroep openstaat en dat voor het instellen van cassatieberoep binnen twee weken een cassatieverklaring ter griffie van de rechtbank moet worden afgelegd.

Vervolgens dienden de onteigenden op 14 maart 2018 een procesinleiding bij de Hoge Raad en op 19 maart 2018 een herstelprocesinleiding. Op 19 maart 2018 heeft de griffier van de Hoge Raad een oproepingsbericht aan de onteigenden afgegeven. Dit oproepingsbericht is met de procesinleidingen en de afgelegde cassatieverklaring op 21 maart 2018 aan de gemeente betekend.

Namens de gemeente hebben wij geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de onteigenden in hun cassatieberoep omdat artikel 53 lid 1 Ow – sinds 1 maart 2017 – bepaalt dat de in artikel 52 Ow bedoelde cassatieverklaring binnen zes weken na afloop van de in artikel 52 Ow genoemde termijn van twee weken met een uiteenzetting van de gronden waarop het cassatieberoep berust, bij of aan de tegenpartij wordt bezorgd of betekend en vergezeld gaat van een oproepingsbericht. Namens de gemeente hebben wij betoogd dat hieruit volgt dat de cassatieverklaring, de procesinleiding (waarin de gronden waarop het cassatieberoep berust zijn opgenomen) en het oproepingsbericht binnen acht weken (twee plus zes) na 17 januari 2018, derhalve uiterlijk op 14 maart 2018, hadden moeten zijn bezorgd bij of betekend aan de gemeente en dat, nu dit niet was gebeurd, de onteigenden niet ontvankelijk waren in hun cassatieberoep.

De onteigenden brachten daartegen in dat artikel 53 lid 1 Ow per 1 maart 2017 was gewijzigd in het kader van de invoering van digitaal procederen in vorderingszaken bij de Hoge Raad per die datum, dat per die datum cassatieberoep in vorderingszaken wordt ingesteld door het (digitaal) indienen van een procesinleiding bij de Hoge Raad, waarna op grond van artikel 112 Rv het van de griffier te ontvangen oproepingsbericht binnen twee weken na indiening van de procesinleiding dient te worden bezorgd bij of betekend aan de verweerder en dat uit de memorie van toelichting bij de wijziging van artikel 53 lid 1 Ow zou blijken dat het niet de bedoeling was af te wijken van het bepaalde in artikel 112 Rv.

Advocaat-generaal mr. W.L. Valk volgde het betoog van de onteigenden niet en was van oordeel dat de gemeente zich terecht op het standpunt stelde dat de onteigenden in hun cassatieberoep niet ontvankelijk waren (ECLI:NL:PHR:2018:1031). Volgens hem prevaleert de niet voor tweeërlei uitleg vatbare tekst van artikel 53 lid 1 Ow.

De Hoge Raad volgt advocaat-generaal mr. Valk en overweegt daartoe

“3.3.3    Ingevolge art. 53 lid 1 Ow dienden [eiser c.s.], die hun cassatieverklaring binnen de in art. 52 lid 2 Ow voorgeschreven termijn hebben afgelegd, die verklaring, alsmede het oproepingsbericht (dat ingevolge art. 111 lid 2 Rv de inhoud van de procesinleiding(en) en dus de gronden van het cassatieberoep bevat), binnen zes weken na afloop van die termijn aan verweerders te bezorgen of betekenen. De termijn van art. 52 lid 2 Ow verliep twee weken na de uitspraakdatum 17 januari 2018, dus op 31 januari 2018, zodat de betekening, waarvoor [eiser c.s.] hebben gekozen, diende plaats te vinden uiterlijk op 14 maart 2018.

De exploten zijn op de hiervoor in 3.2 onder (vi) genoemde data uitgebracht, derhalve nadat de daarvoor in art 53 lid 1 Ow gestelde termijn was verstreken.

3.4.1     Het betoog van [eiser c.s.] komt erop neer dat met art. 53 lid 1 Ow niet is beoogd af te wijken van hetgeen in art. 112 Rv is bepaald en dat daarom indiening van de procesinleiding dient te geschieden binnen de achtereenvolgens geldende termijnen van art. 52 lid 2 en 53 lid 1 Ow – dus binnen acht weken – en dat de eiser vervolgens nog de twee weken, genoemd in art. 112 lid 1 Rv ter beschikking staan om de procesinleiding, het oproepingsbericht en de cassatieverklaring aan de verweerders te bezorgen of betekenen.

Zij beroepen zich daarbij op de passage in de memorie van toelichting, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4.

3.4.2     Deze passage in de memorie van toelichting van de wet waarbij art 53 Ow is aangepast ten behoeve van het digitaal procederen, kan aan de duidelijke bewoordingen van art. 53 Ow niet afdoen. Daarbij moet in de eerste plaats in aanmerking worden genomen het belang van rechtszekerheid van de verwerende partij, dat meebrengt dat deze na ommekomst van de termijn van art. 53 lid 1 Ow zonder dat haar is aangezegd dat cassatieberoep is ingesteld, erop moet kunnen vertrouwen dat de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. In de tweede plaats moet daarbij worden aangetekend dat geen sprake is van een wezenlijke verkorting van de onder het oude recht geldende cassatietermijn. De griffier van de Hoge Raad geeft immers in de regel uiterlijk de eerste werkdag na indiening van een procesinleiding een oproepingsbericht af, zodat de voor de eiser beschikbare termijn slechts met twee dagen wordt bekort. Opmerking verdient dat de eiser bij latere afgifte van een oproepingsbericht ermee kan volstaan enkel de cassatieverklaring en de procesinleiding binnen de wettelijke termijn te bezorgen of betekenen, waarna hij het oproepingsbericht na het afgeven daarvan omgaand kan laten bezorgen of betekenen.”

Vervolgens verklaart de Hoge Raad de onteigenden niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep.