Volledige vergoeding van proceskosten; aansprakelijkheid bemiddelaar

Volledige vergoeding van proceskosten; aansprakelijkheid bemiddelaar

Welke mogelijkheden heeft een in een procedure in het gelijk gestelde partij om zijn volledige proceskosten vergoed te krijgen? Uit een belangwekkend arrest van de Hoge Raad van 17 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2366) blijkt dat een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld in de volledige proceskosten van de in het gelijk gestelde partij in “buitengewone omstandigheden”, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Deze strikte maatstaf geldt echter niet indien de in het gelijk gestelde partij zijn proceskosten wil verhalen op een derde die niet in de procedure betrokken was. Dan gelden de algemene regels betreffende aansprakelijkheid en schadevergoeding.

Het ging in dit arrest onder andere om aansprakelijkheid van een bemiddelaar, die zijn lastgevers er niet van op de hoogte had gesteld dat hij (indirect) belang had bij de totstandkoming van de rechtshandeling die hij geadviseerd had. Voor deze aansprakelijkheid is – volgens de Hoge Raad – niet vereist dat door dit nalaten vermogensschade is ontstaan, omdat de in artikel 7:418 lid 1 BW neergelegde mededelingsplicht immers geldt zodra de lasthebber direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling, waarna het aan de lastgever is om te beoordelen of zich een belangenconflict voordoet dat aan optimale behartiging van zijn belang door de lasthebber in de weg zou kunnen staan.

Wat vooraf ging

Het arrest heeft een lange voorgeschiedenis, waaronder twee eerdere arresten van de Hoge Raad.

Het begon in 1996, toen twee eigenaren van percelen grond die nodig waren voor de aanleg van Vinex-locatie Wateringseveld een bemiddelingsovereenkomst sloten met makelaar A ten einde tot verkoop van hun percelen te komen. Op advies van makelaar A sloten de eigenaren in 1997 een mondelinge koopovereenkomst met De Alternatieve. Daarbij werd nog geen datum voor de levering en voldoening van de koopprijs (€ 6.000.000,-) vastgesteld.

In 2001 beëindigde makelaar A. de bemiddelingsovereenkomst. In 2002 verlangde De Alternatieve van de eigenaren overdracht van een gedeelte van de percelen tegen betaling van een koopprijs van € 3.871.243,83. De eigenaren gaven geen gehoor aan dit verlangen. Zij meenden dat geen sprake was van een rechtsgeldige koopovereenkomst met De Alternatieve. Vervolgens vorderde De Alternatieve in een procedure bij de rechtbank Den Haag nakoming van de koopovereenkomst door de eigenaren. In 2005 werd deze vordering door de rechtbank afgewezen op de grond dat er geen sprake was van een overeenkomst met een voldoende bepaalbare inhoud.

In 2007 vernietigde het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank. Het hof oordeelde dat er tussen de eigenaren en De Alternatieve over de koop van de percelen overeenstemming was bereikt en verwierp het beroep van de eigenaren op een wilsgebrek (bedrog, dwaling dan wel misbruik van omstandigheden), op de grond dat niet voldoende onderbouwd was de stelling van de eigenaren dat zij de overeenkomst niet zouden hebben gesloten indien zij bekend waren geweest met de betrokkenheid van makelaar A bij De Alternatieve ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst. Het hof veroordeelde de eigenaren tot het verlenen van medewerking aan de overdracht van de perceelsgedeelten aan De Alternatieve en tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

Bij arrest van 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854, NJ 2009, 398 vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof Amsterdam.

Het hof Amsterdam oordeelde in 2011 dat de koopovereenkomst tussen de eigenaren en De Alternatieve onder invloed van bedrog aan de kant van De Alternatieve tot stand was gekomen en dat de eigenaren zich terecht bij wege van verweer op vernietigbaarheid van de overeenkomst hadden beroepen. Daarbij overwoog het hof dat De Alternatieve, door de eigenaren willens en wetens niet mee te delen dat makelaar A een aanmerkelijk belang had in De Alternatieve en de feitelijk beleidsbepaler was, de eigenaren willens en wetens op dit punt heeft misleid. Het tegen dit arrest door De Alternatieve ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6183.

Vervolgens vorderden de eigenaren de hoofdelijke veroordeling van De Alternatieve en makelaar A tot betaling van schadevergoeding ter zake van de door de eigenaren gemaakte kosten van juridische bijstand in verband met de door De Alternatieve gelegde beslagen en gevoerde procedure. Hieraan legden zij ten grondslag dat De Alternatieve en makelaar A bedrog hebben gepleegd en onrechtmatig hebben gehandeld, doordat zij bij het aangaan van de mondelinge koopovereenkomst bewust hebben verzwegen dat makelaar A, die als bemiddelaar voor de eigenaren optrad, tevens belanghebbende bij De Alternatieve was en het beleid daarvan bepaalde, en doordat zij vervolgens in rechte nakoming van die overeenkomst hebben gevorderd, hoewel zij moesten beseffen dat de eigenaren de overeenkomst met De Alternatieve niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, zouden hebben gesloten indien zij destijds van de juiste situatie op de hoogte waren geweest.

De rechtbank Den Haag wees de vorderingen toe tot bedragen van € 418.422,28 en  € 20.755,11. In hoger beroep verminderde het hof Den Haag het toegewezen bedrag tot een bedrag € 382.398,36 en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank voor het overige. Daarbij overwoog het hof onder andere het volgende:

  • Op grond van het arrest van het hof Amsterdam staat het bedrog van De Alternatieve vast, zodat geconcludeerd moet worden dat zij onrechtmatig jegens de eigenaren heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die de eigenaren als gevolg daarvan hebben geleden.
  • Ook makelaar A heeft onrechtmatig jegens de eigenaren gehandeld, omdat het onrechtmatig is wanneer een bemiddelaar en adviseur zijn cliënten een koopovereenkomst adviseert terwijl hijzelf indirect bij de koper is betrokken, zonder dat hij zijn cliënten van die betrokkenheid op de hoogte stelt.
  • Door aan te dringen op nakoming van de overeenkomst en te proberen die overeenkomst in rechte af te dwingen in de wetenschap dat zij gebaseerd was op bedrog, althans onwetendheid bij de eigenaren over de rol van makelaar A, heeft De Alternatieve misbruik gemaakt van haar recht en daarmee onrechtmatig jegens de eigenaren gehandeld. Hetzelfde geldt voor makelaar A, die immers van zijn eigen belang bij De Alternatieve op de hoogte was en daarom ervan had moeten afzien dergelijk handelen te initiëren.
  • Het feit dat het hof Den Haag in 2007 de vordering van De Alternatieve heeft toegewezen maakt dit niet anders. Weliswaar kan daaruit worden afgeleid dat de vordering in strikte zin niet kansloos was, maar dat laat onverlet dat De Alternatieve, die van de hoed en de rand wist, van het instellen van een dergelijke vordering had moeten afzien omdat het niet aangaat in rechte nakoming van een overeenkomst na te streven die gebaseerd is op bedrog.
  • Dat het gerechtshof Amsterdam reeds onherroepelijk over de proceskosten heeft beslist is slechts relevant voor de positie van De Alternatieve. In de procedure die heeft geleid tot het arrest van het hof Amsterdam hebben de eigenaren zich verweerd tegen de vorderingen van De Alternatieve. De daarin uitgesproken proceskostenvergoeding staat niet in de weg aan de vordering van de eigenaren tot een volledige proceskostenvergoeding op grond van onrechtmatige daad; daarover is nog geen beslissing genomen.

Cassatie

De Alternatieve en makelaar A stellen cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

Zij klagen onder andere over het oordeel van het hof dat makelaar A bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen de eigenaren en De Alternatieve onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij als professioneel bemiddelaar heeft nagelaten, ondanks zijn gehoudenheid daartoe, de eigenaren op de hoogte te stellen dat hij (indirect) was betrokken bij en financieel belang had in De Alternatieve. De Hoge Raad overweegt dat dit oordeel, mede gelet op artikel 7:418 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:427 BW, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad overweegt daarbij dat voor dat oordeel niet vereist is dat door dit nalaten daadwerkelijk vermogensschade is ontstaan, omdat de in artikel 7:418 lid 1 BW neergelegde mededelingsplicht immers geldt zodra de lasthebber direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling, waarna het aan de lastgever is om te beoordelen of zich een belangenconflict voordoet dat aan een optimale behartiging van zijn belang door de lasthebber zou kunnen afdoen. De Hoge Raad verwijst hierbij naar het arrest HR 6 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5440), NJ 2008, 493.

Naar aanleiding van de cassatieklachten over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten stelt de Hoge Raad voorop (onder verwijzing naar zijn arrest van 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016, 380) dat uit artikel 241 Rv en de toelichting op het daarmee corresponderende artikel 57 lid 6 (oud) Rv volgt dat de artikelen 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld, dat deze regeling ingevolge artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv derogeert aan artikel 6:96 lid 2 BW en eveneens derogeert aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden.

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat dit niet wegneemt, zoals in voormelde toelichting wordt opgemerkt, dat een volledige vergoedingsplicht (ter zake van proceskosten) denkbaar is, doch alleen in “buitengewone omstandigheden”, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. De Hoge Raad overweegt verder dat hieromtrent in het in het arrest HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012, 233 (Duka/Achmea) is overwogen dat pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Hiervan kan volgens de Hoge Raad pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De Hoge Raad overweegt nog dat bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure terughoudendheid past, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.

Volgens de Hoge Raad kan uit voormelde toelichting op artikel 57 lid 6 (oud) Rv worden afgeleid dat de in artikel 241 Rv voorziene exclusiviteit van de proceskostenregeling van de artikelen 237-240 Rv – welke regeling vanwege de toepassing van het liquidatietarief een begrenzing meebrengt van de verplichting van de in het ongelijk gestelde partij om de proceskosten van de andere partij te vergoeden – strekt tot bescherming van de betreffende procespartijen. Beoogd is immers dat zij zich niet door vrees voor een veroordeling tot vergoeding van omvangrijke proceskosten van de wederpartij ervan laten weerhouden hun standpunt (als eiser of als gedaagde) in een procedure aan de rechter voor te leggen, zo voegt de Hoge Raad hier aan toe. Het complement hiervan is dat voor een veroordeling van een procespartij tot een volledige proceskostenvergoeding aan de strikte maatstaf uit het arrest Duka/Achmea moet zijn voldaan, aldus de Hoge Raad.

Uit het voorgaande volgt volgens de Hoge Raad dat de vraag of en in hoeverre een benadeelde de kosten van een procedure kan verhalen (bijvoorbeeld op grond van onrechtmatige daad) op een derde die niet in de procedure betrokken was, niet moet worden beantwoord aan de hand van de strikte maatstaf uit het arrest Duka/Achmea, maar dat voor beantwoording van deze vraag de algemene regels betreffende aansprakelijkheid en schadevergoeding gelden. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat van die algemene regels in het bijzonder die betreffende het causaal verband (artikel 6:98 BW) van belang kunnen zijn, alsmede de in artikel 6:96 lid 2 BW besloten liggende zogenoemde dubbele redelijkheidstoets.

Vervolgens verwerpt de Hoge Raad de cassatieklachten en daarmee het cassatieberoep.