Verrekening in geval van faillissement van de pandgever

Verrekening in geval van faillissement van de pandgever

In een arrest van 24 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3017) heeft de Hoge Raad bevestigd dat in geval van faillissement van de pandgever de debiteur van de verpande vordering zijn tegenvordering kan verrekenen met overeenkomstige toepassing van artikel 53 lid 3 FW, zonder dat de pandhouder een beroep toekomt op artikel 6:136 BW.

Wat was het geval?

Uit hoofde van verrichte werkzaamheden heeft EnergiQ Installatietechniek BV een vordering op Artis. Deze vordering is verpand aan Parallel Groep BV. Nadat EnergiQ failliet is gegaan, vordert Parallel Groep in een procedure betaling van Artis van een bedrag € 66.941,21 uit hoofde van haar pandrecht op de vorderingen die EnerqiQ op Artis heeft.

De rechtbank Amsterdam wijst de vordering af op de grond dat de ingeroepen pandrechten niet rechtsgeldig zijn gevestigd.

Het gerechtshof Amsterdam wijst de vordering toe. Het oordeelt dat de vestiging van de pandrechten wel rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en passeert (onder andere) het beroep van Artis op verrekening met de vordering van EnergiQ van haar tegenvordering uit hoofde van tekortkomingen in het door EnergiQ verrichte werk op de grond dat die tegenvoordering niet eenvoudig is vast te stellen (artikel 6:136 BW).

Cassatie

Artis gaat in cassatie en klaagt er onder meer over dat het hof heeft miskend dat in faillissement artikel 53 Fw in de weg staat aan de werking van het door het hof toegepaste artikel 6:136 BW. De debiteur kan daarom, met overeenkomstige toepassing van artikel 53 lid 3 Fw, zijn tegenvordering verrekenen zonder dat de pandhouder een beroep op artikel 6:136 BW toekomt.

Advocaat-Generaal mr. Rank-Berenschot acht deze klacht gegrond. Zij overweegt hiertoe:

2.5   Art. 6:136 BW kent aan de rechter de bevoegdheid toe om een vordering, ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening, toe te wijzen indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Art. 53 lid 3 Fw bepaalt dat de curator geen beroep kan doen op art. 6:136 BW.

2.6   Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van het in 1992 ingevoerde art. 53 lid 3 Fw heeft Uw Raad in het arrest van 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7535, NJ 2003/539, m.nt. PvS (rov. 3.4) geoordeeld dat aan art. 53 lid 3 Fw niet de gedachte ten grondslag ligt dat uitsluitend aan de curator geen beroep toekomt op art. 6:136 BW, doch dat art. 53 lid 3 Fw ertoe strekt buiten twijfel te stellen dat art. 6:136 BW – in afwijking van de regeling inzake de verrekening buiten faillissement – in faillissement niet van toepassing is. Indien de curator, zoals in het geval van dat arrest aan de orde, een tot de boedel behorende vordering cedeert aan een derde, brengt het aan art. 6:145 BW ten grondslag liggende beginsel, mede gelet op de gedachte waarop art. 53 lid 1 Fw is gebaseerd – namelijk dat iedere schuldeiser van de boedel zijn schuld aan de boedel als ‘onderpand’ mag beschouwen voor de betaling van zijn vordering – mee dat art. 53 lid 3 Fw van overeenkomstige toepassing moet worden geacht.

Op vergelijkbare gronden heeft Uw Raad in het arrest van 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9061, NJ 2006/190 (rov. 3.4), bevestigd in HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7391, NJ 2014/521, m.nt. HJS (rov. 3.6.2), geoordeeld dat in geval van het faillissement van de pandgever de debiteur van de verpande vordering zijn tegenvordering kan verrekenen met overeenkomstige toepassing van art. 53 lid 3 Fw, zonder dat de pandhouder een beroep toekomt op art. 6:136 BW. Ook in een dergelijk geval heeft de debiteur van de verpande vordering belang erbij zijn schuld aan de boedel als ‘onderpand’ te kunnen beschouwen voor de betaling van zijn tegenvordering, terwijl de debiteur van de verpande vordering – evenals de debiteur van de gecedeerde vordering – de bescherming geniet van het in art. 6:145 BW neergelegde beginsel dat de overgang van een vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat.

2.7  Gezien het vorenstaande treffen de rechtsklachten (subonderdelen 1.1 en 1.2.) doel. Nu de pandgever (EnergiQ) failliet is verklaard, heeft het hof het beroep op verrekening van Artis niet kunnen passeren op grond van art. 6:136 BW, maar had het een oordeel over de gegrondheid daarvan moeten geven.

Hoge Raad

Ook de Hoge Raad oordeelt dat de klacht slaagt. De Hoge Raad bevestigt dat in geval van faillissement van de pandgever de debiteur van de verpande vordering zijn tegenvordering kan verrekenen met overeenkomstige toepassing van artikel 53 lid 3 Fw, zonder dat de pandhouder een beroep toekomt op artikel 6:136 BW, en wel in verband met het belang dat de debiteur van de verpande vordering erbij heeft zijn schuld aan de boedel als “onderpand” te kunnen beschouwen, waarbij de Hoge Raad verwijst naar het arrest HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7391, NJ 2014/521, rov. 3.6.2. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat na verwijzing de gegrondheid van de tegenvordering van Artis alsnog zal moeten worden onderzocht.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst het geding naar het hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.