Uiterste verschijningsdatum en tweewekentermijn

Uiterste verschijningsdatum en tweewekentermijn

In civiele vorderingszaken die op of na 1 maart 2017 bij de Hoge Raad aanhangig zijn of worden gemaakt is digitaal procederen al verplicht. Daarmee loopt de Hoge Raad voorop in de digitaliseringsslag (KEI). Over de wijzigingen die de digitalisering voor de cassatieprocedure met zich meebrengt schreven wij eerder een nieuwsbericht.

De invoering van het digitaal procederen bij de Hoge Raad leidt tot nieuwe procesrechtelijke vragen. In arresten van 13 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2628 en ECLI:NL:HR:2017:2629) geeft de Hoge Raad antwoord op twee van die vragen.

Het antwoord op deze vragen zal ook van belang zijn bij het (grotendeels) nog in te voeren digitale procederen in eerste aanleg en hoger beroep. In die zin is het wel zo praktisch dat de Hoge Raad voorop loopt met het digitaal procederen, zodat procesrechtelijke vragen nu eerst aan hem worden voorgelegd en hij op die punten duidelijkheid kan geven.

Aanzeggen nieuwe verschijningsdatum?

In de zaak die tot het eerste arrest (ECLI:NL:HR:2017:2628) heeft geleid hadden eisers in cassatie in de oorspronkelijke procesinleiding niet overeenkomstig artikel 30a lid 3 aanhef en onder a en b Rv hun voornamen en woonplaats vermeld. Eisers hebben van de Hoge Raad een termijn gekregen om die gebreken te herstellen door een nieuwe procesinleiding in te dienen. Dit hebben eisers ook gedaan en zij hebben ook overeenkomstig artikel 112 Rv binnen twee weken het van de Hoge Raad ontvangen oproepingsbericht met daarbij de aanvullende en originele procesinleiding bij exploot laten betekenen door een deurwaarder.

Deze betekening vond echter plaats na de in de eerste procesinleiding opgenomen uiterste verschijningsdatum. In de aanvullende procesinleiding en het tweede exploot was geen nieuwe verschijningsdatum opgenomen.

De Hoge Raad oordeelt dat het niet vermelden van een uiterste verschijndatum niet met nietigheid is bedreigd, omdat de wet niet vermeldt dat in zo’n geval een nieuwe verschijningsdatum moet worden aangezegd. Wel overweegt de Hoge Raad dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat een nieuwe verschijningsdatum wordt aangezegd. Hiertoe worden eisers alsnog door de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld.

Tweewekentermijn

In zaak die tot het tweede arrest (ECLI:NL:HR:2017:2629) heeft geleid had eiser in cassatie niet overeenkomstig artikel 112 Rv binnen twee weken na indiening van de procesinleiding bij exploot het oproepingsbericht en de procesinleiding aan verweerder doen betekenen. De vraag was of dit tot nietigheid leidt en/of nog moest worden hersteld.

Uit de parlementaire geschiedenis en het vereiste dat de uiterste verschijningsdatum ten minste vier weken na de dag van de indiening van de procesinleiding moet liggen, leidt de Hoge Raad af dat de twee wekentermijn van art. 112 lid 1 Rv niet is bedoeld als een eis die aan het exploot wordt gesteld, maar als een (terugreken)termijn die moet waarborgen dat de verweerder gedurende ten minste twee weken gelegenheid heeft te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen, voordat wordt beslist of tegen hem verstek wordt verleend. Het niet in acht nemen van deze termijn leidt dan ook niet tot nietigheid.

Omdat in dit geval het exploot was uitgebracht minimaal twee weken voor de uiterste verschijndatum, hoefde eiser dit gebrek volgens de Hoge Raad niet te herstellen.

Verder overweegt de Hoge Raad nog dat indien de verweerder in de periode tussen de betekening van het exploot en de uiterste verschijndatum niet gedurende ten minste twee weken gelegenheid heeft gehad om te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen,  de rechter dan – voordat hij verstek kan verlenen – eiser zal moeten gelasten aan verweerder bij exploot een nieuwe uiterste verschijndatum aan te zeggen die verweerder alsnog een termijn van twee weken geeft om te beslissen of hij wil verschijnen. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat de kosten van dat exploot als nodeloos veroorzaakte kosten voor rekening van eiser worden gelaten.