Dwangsommen en derdenbeslag, welke rechter is bevoegd?

Dwangsommen en derdenbeslag, welke rechter is bevoegd?

De Hoge Raad heeft in een arrest van 22 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2455) geoordeeld dat indien onder een schuldenaar ten laste van zijn schuldeiser derdenbeslag wordt gelegd, de schuldenaar verplicht is het verschuldigde (of die zaken) onder zich te houden. Hierdoor wordt nakoming door de schuldenaar verhinderd en is sprake van schuldeiserverzuim. Omdat gedurende het verzuim schuldeiser niet bevoegd is executiemaatregelen te nemen, kan zijn schuldeiser ook geen dwangsommen verbeuren. Het oordeel of zodanige situatie zich voordoet is aan de executierechter.

Wat is een dwangsom?

De rechter kan op vordering van een van de partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Dit wordt ook wel een dwangsom genoemd. Een dwangsom kan echter niet worden opgelegd indien de hoofdveroordeling een betaling van een geldsom betreft.

Bevoegde rechters

Indien het voor een veroordeelde onmogelijk is om aan de hoofdveroordeling te voldoen, kan deze uitsluitend aan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd vragen om de dwangsom op te heffen of te verminderen (artikel 611 Rv). Geschillen over de vraag of een dwangsom verschuldigd is geworden doordat niet aan de hoofdveroordeling is voldaan, dienen uitsluitend aan de rechter (executierechter) te worden voorgelegd die naar de gewone regels bevoegd zou zijn (artikel 438 Rv). Er is geregeld discussie over de vraag aan welke rechter een geschil over een dwangsom moet worden voorgelegd.

In de zaak die tot het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2455) heeft geleid was ook de vraag aan de orde welke rechter bevoegd was.

A. was in hoger beroep veroordeeld om een aantal zaken aan B. af te geven, op straffe van een dwangsom van € 50,– per dag met een maximum van € 10.000,–. Vervolgens heeft een debiteur van B. derdenbeslag laten leggen op de roerende zaken die A. aan B. diende af te geven. Door dit derdenbeslag kon A. de roerende zaken niet afgeven aan B., en maakte B. bij A. aanspraak op betaling van de dwangsommen. Om deze dwangsommen te innen schakelde B. een deurwaarder in. Doordat het voor de deurwaarder niet duidelijk was of hij de opdracht kon uitvoeren, heeft deze in een kort geding aan de executierechter de vraag voorgelegd of hij de opdracht diende uit te voeren.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het derdenbeslag blokkerende werking had en A. de zaken onder zich diende te houden, waardoor het onmogelijk was om aan de uitspraak te voldoen. In hoger beroep heeft het hof Arnhem-Leeuwarden echter geoordeeld dat zij niet bevoegd was om te oordelen over de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, omdat geschillen over de onmogelijkheid om aan een veroordeling te voldoen niet tot haar terrein zouden behoren. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat er geen beletselen zijn voor de executie van de dwangsommen.

Cassatie

In cassatie beoordeelt de Hoge Raad onder meer of het hof de regel heeft miskend dat door het derdenbeslag een veroordeling als de onderhavige niet vatbaar is voor gedwongen tenuitvoerlegging en dat daarom geen dwangsommen zijn verbeurd en dat zij daardoor als executierechter bevoegd was.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat indien onder een schuldenaar ten laste van zijn schuldeiser derdenbeslag wordt gelegd, de schuldenaar verplicht is het verschuldigde of de zaken onder zich te houden, en dat dit volgens vaste rechtspraak een geval is waarin nakoming door de schuldenaar wordt verhinderd door een beletsel opkomend van de zijde van (en toerekenbaar aan) de schuldeiser, hetgeen schuldeiserverzuim oplevert (HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2629).

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat artikel 6:62 BW bepaalt dat gedurende het verzuim van de schuldeiser deze niet bevoegd is maatregelen tot executie te nemen, en dat in dat geval de veroordeling waaraan een dwangsom is verbonden niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging door de schuldeiser. De schuldenaar kan volgens de Hoge Raad gedurende het verzuim van zijn schuldeiser geen dwangsommen verbeuren, welk oordeel aan de executierechter is.

De Hoge Raad overweegt daarbij dat daaraan niet afdoet dat schuldeisersverzuim ook overmacht voor de schuldenaar oplevert. Bij het oordeel dat wegens schuldeisersverzuim geen dwangsommen zijn verbeurd gaat het volgens de Hoge Raad immers niet om een (op onmogelijkheid gebaseerde) opheffing of vermindering van de dwangsom, maar om de daaraan voorafgaande vraag of de schuldeiser de veroordeling waaraan de dwangsom is verbonden (in de relevante periode) mocht executeren.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, en verwijst het geding naar het hof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.