Bij annulering volledige cursusgeld verschuldigd?

Bij annulering volledige cursusgeld verschuldigd?

Particuliere onderwijsinstellingen komen veelal overeen dat bij tussentijdse beëindiging van de studie toch het volledige cursusgeld verschuldigd is. In een arrest van 27 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2775) diende de Hoge Raad te beoordelen of het hof zo’n beding terecht buiten werking had gesteld.

Casus

Een student heeft zich op 22 augustus 2012 ingeschreven voor een dagopleiding hotelmanagement bij de particuliere onderwijsinstelling Tio. In de door Tio op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden is opgenomen dat de student de overeenkomst weliswaar altijd tussentijds mag annuleren, maar dat hij bij annulering na 31 augustus 2012 het volledige cursusgeld verschuldigd is.

Op 1 december 2012 heeft de vader van de student Tio bericht de opleiding te beëindigen wegens de psychische gesteldheid van zijn zoon, en heeft hij Tio verzocht de zoon wegens de bijzondere omstandigheden financieel tegemoet te komen.  Tio stelt zich echter op het standpunt dat de student het volledige cursusgeld van € 12.600,- verschuldigd is.

Omdat de student nog niet het volledige cursusgeld had betaald, vordert Tio in een procedure betaling van het resterende bedrag van € 798,90. De student verweert zich tegen deze vordering, en stelt in reconventie juist dat Tio een bedrag van € 8.838,90 verschuldigd is wegens onverschuldigde betaling. Daarbij stelt de student zich op het standpunt dat het in de algemene voorwaarden opgenomen annuleringsbeding nietig is en Tio op grond van artikel 7:411 BW slechts aanspraak kan maken op een redelijke vergoeding van loon en onkosten.

Rechtbank en hof

Zowel de rechtbank als het hof geven de student gelijk. In hoger beroep oordeelt het hof dat het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is als bedoeld in artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Hoewel het annuleringsbeding bepaalt dat een cursist de overeenkomst altijd mag opzeggen, bepaalt het aan de andere kant dat Tio altijd recht heeft op het volledige cursusgeld. Daarmee is naar het oordeel van het hof geen sprake van een reële mogelijkheid om op te zeggen en is dit in strijd met (de geest) van artikelen 7:408 BW en 7:411 BW. Daarbij weegt het hof ook mee dat sprake is van een substantieel bedrag aan cursusgeld en een substantiële opleidingsduur. Het hof vernietigt het beding en oordeelt dat Tio dan ook geen beroep kan doen op het annuleringsbeding.

Cassatie

In cassatie klaagt Tio erover dat het hof, bij de vraag of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend was, ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij artikel 7:411 BW. In dit geval was volgens Tio de verschuldigdheid van loon, anders dan artikel 7:411 lid 1 BW voor zijn toepasselijkheid vereist, niet  afhankelijk van de volbrengen van de opdracht of van het verstrijken van de tijd waarvoor de opdracht is verleend, maar was het cursusgeld door de aanmelding direct verschuldigd.

De Hoge Raad verwerpt deze klacht van Tio. Gelet op artikel 7:413 lid 2 en 7:408 lid 3 BW had de student het recht om de overeenkomst op te zeggen. Dat het hof dan voor wat betreft het verschuldigde loon aansluiting zoekt bij artikel 7:411 BW, geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad laat het arrest van het hof dan ook in stand.