Bewijslast tenietgaan schuld rust op borg

Bewijslast tenietgaan schuld rust op borg

De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 16 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1108) dat op een borg, die stelt dat de hoofdsom reeds door de hoofdschuldenaar is voldaan, de bewijslast rust van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.

Casus

De indirecte bestuurders van een vennootschap hebben zich borg gesteld voor twee leningen die een bank aan de vennootschap had verstrekt voor de financiering van de bouw van een industriehal in Bad Bentheim in Duitsland. De bank maakt  uit hoofde van de overeenkomst van borgtocht jegens de bestuurders aanspraak op betaling van de openstaande leningen. Hoewel de rechtbank de vorderingen van de bank heeft toegewezen, heeft het hof de vorderingen in hoger beroep afgewezen.

Bewijslast borg

Volgens het hof rust op de bank, en niet op de borg, de bewijslast van de stelling dat de vennootschap de tweede lening al heeft terugbetaald. Omdat niet is komen vast te staan dat de vennootschap het bedrag niet geheel heeft terugbetaald, kan de vordering van de bank volgens het hof niet worden toegewezen. In cassatie wordt er door de bank over geklaagd dat het hof hiermee heeft miskend dat de bewijslast van de stelling, dat deze lening reeds is voldaan, op de bestuurders (als borg) rust. De Hoge Raad acht deze klacht gegrond.

De Hoge Raad overweegt onder meer dat de borg die door de schuldeiser wordt aangesproken tot betaling en het verweer voert dat de verbintenis van de hoofdschuldenaar niet meer bestaat doordat de hoofdschuldenaar reeds heeft betaald en dat de schuld daardoor is tenietgegaan, een bevrijdend verweer voert. Evenals het geval zou zijn indien de hoofdschuldenaar dat verweer zou voeren, rust de bewijslast van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden volgens de Hoge Raad op degene die dat bevrijdend verweer voert, in dit geval dus op de borg.

Hoor en wederhoor

In cassatie zijn ook nog klachten gericht tegen de vaststelling door het hof dat de bank de stelling van de bestuurders, dat de eerste lening al was terugbetaald, niet heeft betwist en daarom niet kan worden toegewezen. Opmerkelijk aan die klachten is dat de bank betoogt dat haar recht op hoor en wederhoor is geschonden, omdat zij niet de beschikking zou hebben gehad over de versie van de memorie van grieven van bestuurders die aan het hof is toegezonden. Aan de bank zou een andere versie zijn toegezonden waarin voornoemde stelling van bestuurders niet is opgenomen. De Hoge Raad overweegt onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal De Bock dat deze cassatieklachten slagen.