Aansprakelijkheid Staat voor schade aan verhuurde zaak als gevolg van rechtmatig strafvorderlijk optreden

Aansprakelijkheid Staat voor schade aan verhuurde zaak als gevolg van rechtmatig strafvorderlijk optreden

In een arrest van 27 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2789) heeft de Hoge Raad beslist dat in gevallen waarin de Staat wegens rechtmatig strafvorderlijk optreden aansprakelijk is voor schade aan zaken van een ander dan de verdachte, bij de beoordeling van de vraag of de vergoedingsplicht van de Staat op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW moet worden verminderd of zelfs geheel vervalt (op grond van de causaliteitsafweging dan wel de billijkheidscorrectie), het tweede lid van artikel 6:101 BW (dat ziet op het geval dat de vergoedingsplicht schade betreft die is toegebracht aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht had) buiten toepassing moet blijven.

Waar ging het om

De politie is in 2012 wegens verdenking van aanwezigheid van harddrugs een verhuurd bedrijfspand binnengetreden ter doorzoeking en inbeslagneming. Daarbij werd schade veroorzaakt aan de pui van het pand. In het gehuurde werd een partij van 325 kilo heroïne aangetroffen. De huurder is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld.

De verhuurder heeft schadevergoeding gevorderd van de Staat en daaraan ten grondslag gelegd dat de wijze van binnentreden disproportionele schade aan het gehuurde heeft toegebracht en dat deze schade buiten zijn normale maatschappelijke risico en zijn bedrijfsrisico valt. Op grond van het beginsel van gelijkheid voor openbare lasten (égalité devant les charges publiques) acht de verhuurder de Staat voor de schade aansprakelijk.

De kantonrechter te Rotterdam heeft de vordering van de verhuurder toegewezen. Het gerechtshof te Den Haag heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en daartoe onder andere het volgende overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de verhuurder geleden schade buiten diens normale maatschappelijke risico of normale bedrijfsrisico valt., zoals bedoeld in het arrest Staat/Lavrijsen (Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801, NJ 2003, 615). Daarmee is gegeven dat de Staat in beginsel aansprakelijk is voor de door de verhuurder geleden schade. Vervolgens moet op de voet van artikel 6:101 BW worden beoordeeld of de vergoedingsplicht van de Staat moet worden verminderd. Het primaire standpunt van de Staat dat de ratio van artikel 6:101 lid 2 BW in een geval als het onderhavige in de weg staat aan de toepassing van de billijkheidscorrectie op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW moet worden verworpen. Dit standpunt van de Staat is niet verenigbaar met het uitgangspunt dat de schade van de verhuurder buiten diens maatschappelijke risico of normale bedrijfsrisico valt en dus in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. Wanneer het standpunt van de Staat zou worden gevolgd, betekent dit een zodanige uitholling van het égalité-leerstuk dat het in veruit de meeste gevallen feitelijk illusoir wordt voor een verhuurder die zich buiten zijn schuld geconfronteerd ziet met een huurder die strafbare handelingen verricht en aldus schadetoebrengend handelen van de overheid uitlokt.

Cassatie

De Staat gaat in cassatie en klaagt er onder meer over dat het hof heeft miskend dat in een geval als het onderhavige, waarin de huurder van de beschadigde zaak op grond van artikel 6:101 lid 1 BW 100% eigen schuld zou kunnen worden tegengeworpen, geen ruimte meer bestaat voor een billijkheidscorrectie die ertoe leidt dat de Staat toch enige schade aan de verhuurder moet vergoeden. In ieder geval zou er geen ruimte bestaan voor een billijkheidscorrectie waarbij omstandigheden aan de zijde van de benadeelde verhuurder worden betrokken. De toerekeningsregel van artikel 6:101 lid 2 BW zou als het ware nopen tot vereenzelviging van de derde (huurder) en de benadeelde (verhuurder).

De Hoge Raad zet eerst het wettelijk kader uiteen:

Art. 6:101 lid 1 BW ziet op het geval dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. In zodanig geval wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (de zogenoemde “causaliteitsafweging”), met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (de zogenoemde “billijkheidscorrectie”).

Art. 6:101 lid 2 BW ziet op het geval dat de vergoedingsplicht schade betreft die is toegebracht aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht had. In zodanig geval worden bij de toepassing van art. 6:101 lid 1 BW omstandigheden die aan de derde toegerekend kunnen worden, toegerekend aan de benadeelde (de zogenoemde “toerekeningsregel”).”

Daarna overweegt de Hoge Raad dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:101 lid 2 BW deze regel erop berust dat er enerzijds geen reden is waarom het voor de aansprakelijke verschil zou moeten maken of de zaak die hij beschadigde, toebehoorde aan de medeschuldige die haar in zijn macht had of dat deze haar voor een ander onder zich had en dat de bepaling anderzijds ertoe strekt te voorkomen dat een onwenselijke opeenvolging van verhaalsacties (circuit d’actions) ontstaat.

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat aangenomen moet worden dat de wetgever bij de invoering van het tweede lid van artikel 6:101 BW niet (mede) het oog heeft gehad op gevallen waarin de Staat voor schade als gevolg van rechtmatig strafvorderlijk optreden aansprakelijk is. Uitgangspunt is volgens de Hoge Raad dat schade die bij rechtmatig strafvorderlijk optreden is veroorzaakt aan zaken van een ander dan de verdachte, niet tot het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico van die ander hoort, zodat de overheid in beginsel gehouden is die schade te vergoeden, waarbij de Hoge Raad verwijst naar r.o. 3.3 van het arrest HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7887, NJ 2005, 392. Daarmee verdraagt zich niet de toerekeningsregel van artikel 6:101 lid 2 BW, die immers in een geval als het onderhavige juist zou meebrengen dat omstandigheden die toerekenbaar zijn aan de verdachte die de beschadigde zaak in zijn macht heeft, (toch) voor rekening van die ander als benadeelde komen, zo overweegt de Hoge Raad. Het genoemde argument dat het voor de aansprakelijke geen verschil mag maken of de beschadigde zaak toebehoort aan degene die haar in zijn macht had of aan een nader gaat volgens de Hoge Raad in een dergelijk geval dan ook niet op en ook het genoemde argument van voorkoming van een “circuit d’actions” legt in zodanig geval volgens de Hoge Raad onvoldoende gewicht in de schaal.

Concluderend overweegt de Hoge Raad:

Het voorgaande brengt daarom mee dat – anders dan nog tot uitgangspunt is genomen in HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1708, NJ 2010/95 (Wherestad) – in gevallen waarin de Staat wegens rechtmatig strafvorderlijk optreden aansprakelijk is voor schade aan zaken van een ander dan de verdachte, bij beoordeling van de vraag of de vergoedingsplicht van de Staat op de voet van art. 6 101 lid 1 BW moet worden verminderd of zelfs geheel vervalt (op grond van de causaliteitsafweging dan wel de billijkheidscorrectie), het tweede lid van die bepaling buiten toepassing moet blijven.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.